Onlangs bezocht ik de Nederlandse verffabriek Old Holland.

Old Holland werd opgericht in 1664 en staat bekend om zijn hoogwaardige olieverf, aquarelverf en acrylverf.

Ik had er een romantische voorstelling van: een oud fabrieksgebouw waar de tijd heeft stilgestaan. Maar Old Holland huist in een heel gewoon, zelfs een beetje saai, bedrijfsgebouw op een industrieterrein in het midden van Nederland.

Bij binnenkomst werden we verwelkomd door Aquil Copier. Hij verzorgt de rondleidingen, heeft een lang verleden in de verfindustrie en is daarnaast een zeer creatief en verdienstelijk kunstenaar.

Onder het genot van een kop koffie beantwoordt hij al onze vragen. Daaruit blijkt dat Old Holland het ambacht van verf maken hoog in het vaandel heeft staan, iets wat we tijdens ons bezoek overal terugzien. Innovatie heeft hier geen prioriteit, hoewel er natuurlijk op het gebied van grondstoffen door de eeuwen heen veel is veranderd. Old Holland wordt, niet volgens henzelf, de Rolls-Royce onder de verven genoemd.

‘Daar is de prijs soms ook wel naar,’ grap ik.

Aquil lacht. ‘Na de rondleiding zul je het begrijpen.’

De demoruimte is voorzien van een kastenwand vol Old Holland-producten. Ik word er wel hebberig van, al die tubes, en zeker wanneer ik de speciale editie van de verfkist zie. Maar tja, € 4.500 vind ik toch iets te gortig. Bovendien is hij eigenlijk te mooi om aan te breken.

Old Hollands grootste afzetmarkt is Amerika. De vader van de huidige eigenaar verscheepte ooit een honderdtal demonstratiekasten naar de Verenigde Staten en ging vervolgens persoonlijk alle kunstschilderswinkels af die hij kon vinden. Na een jaar mochten de winkeliers de kasten weer teruggeven, maar op een enkeling na deed niemand dat.

Na ons vragenuurtje in de ontvangstruimte neemt Aquil ons mee naar de naastgelegen ruimte, waar een klein museum is gevestigd. Hier maak je kennis met het verleden van de verfindustrie. Aquil toont ons pigmenten als lapis lazuli, ivoor, krablak en andere bijzondere grondstoffen waarmee de verven werden gemaakt. En soms, op verzoek, nog steeds worden gemaakt. Bijvoorbeeld voor restaurateurs van oude schilderijen.

Ook zien we loodwit volgens oud recept, gemaakt met lood, azijn en paardenuitwerpselen. Een mooi dekkend wit, maar menig schilder heeft er een loodvergiftiging door opgelopen. Old Holland beschikt nog over enkele zeer bijzondere oude pigmenten die ze koesteren. Ooit willen ze daar nog verf van maken, maar het materiaal is zo bijzonder dat de prijs er ongetwijfeld ook naar zal zijn. Heb je als kunstschilder speciale wensen, dan kun je daarover zeker met Old Holland in gesprek gaan.

Aquil neemt ons verder mee terug in de tijd en laat zien hoe leerlingen van de schildersgilden vroeger hun verf zelf maakten. We bewonderen de kasten vol pigmenten die vanuit de hele wereld zijn verzameld. Hij toont oude walsen, vulmachines en bijzondere historische schildersrelieken, zoals de schilderskist van Jozef Israëls en een brief van zijn hand waarin hij Old Holland complimenteert met de kwaliteit van de verf.

De tijd staat hier stil, en daar zijn ze trots op.

Daarna mogen we de fabriek bezoeken, waarbij we helaas geen foto’s mogen maken. Niet dat het nu zo’n moderne fabriek betreft; sterker nog, de werkwijze is opvallend ouderwets. Geen grote productiemachines of gelikte fabriekslijnen. Zelfs geen moderne automatische vulmachines.

Hij neemt ons mee naar de pigmentenkamer, waar bakken met bijzonder poeder staan opgeslagen. Sommige dragen nog de naam Scheveningen, een herinnering aan de plaats waar Old Holland ooit begon. Deze gekleurde poeders, afkomstig uit de hele wereld, vormen het kleurenpalet van de verven.

Daarna komen we langs het meest moderne apparaat in de productiehal: een digitale weegschaal waarop de ingrediënten tot op een tiende gram nauwkeurig worden afgewogen. De pigmenten worden in een kniehoge ton vermengd met olie en vervolgens urenlang gemixt tot een pasta; soms dik, soms dun, afhankelijk van de ingrediënten.

Daarna gaat het mengsel door de walsen en ontstaat de glanzende pasta waarmee uiteindelijk tube voor tube wordt gevuld. Niet aan een lopende band, maar met de hand, stuk voor stuk, waarna de tubes worden dichtgeknepen. Volgens zeggen hebben machines moeite met deze pasteuze verf, die boordevol pigment zit. Of dat werkelijk de reden is weet ik niet, maar waarom iets veranderen als het al eeuwen goed werkt?

Aan alles merk je dat het ambacht hier nog hoog in het vaandel staat, en daar zijn ze trots op.

Geen voorbedrukte labels

Op rekken liggen witte platen waarop met verf uit de productieronde beschilderde papieren vellen zijn geprikt. Zodra de vellen droog zijn, worden ze in strookjes gesneden die vervolgens door drie dames label voor label op de tubes worden geplakt. Zo weet je precies hoe de kleur in de tube eruitziet.

Geen voorbedrukte tubes dus, maar labels die daadwerkelijk zijn geschilderd en daarna door de handen van een van deze drie dames zijn gegaan. Met die wetenschap kijk ik toch heel anders naar de tubes in mijn verfkist.

Na een bezoek aan de fabriek, of laten we zeggen: het fabriekje, neemt Aquil ons mee naar zijn laboratorium. Hier worden recepten samengesteld en testen uitgevoerd op duurzaamheid, lichtechtheid, temperatuurbestendigheid, consistentie en nog veel meer. Er komt veel bij kijken. Ieder pigment heeft zijn eigen eigenschappen en reageert anders tijdens het productieproces.

Het is pauze wanneer we afscheid nemen. De machines staan stil, de medewerkers drinken koffie bij de fabrieksdeur, niet veel anders dan honderd jaar geleden.